Column: Bij het kerkelijk jaar

Op deze plaats krijg ik de ruimte om bijzondere verhalen over kerk en geloven, die ik tegenkom en mij aanspraken door hun bijzondere uitleg aan u door te vertellen. Ik laat mij daarbij leiden door het ritme van het kerkelijke of liturgische jaar of door de actualiteit, nét wat zich voordoet. Ik hoop dat u deze aanvulling op Kruispunt en de nieuwsbrieven kunt waarderen!
Leen van den Herik gemeentelid van Johanneskerkgemeente en narratief theologisch geschoold

5-11-2015 We zijn bijna weer bij Advent, dus de cirkel is weer bijna rond. Sommige verhalen en uitleg ligt een tijdje op mijn bureau en dan besluit ik uiteindelijk toch maar dat het niet de kwaliteit heeft om in deze rubriek te passen, maar ik blijf alert. Wie ook wat voor te stellen heeft blijft welkom!

Wellicht heeft u/heb jij ook verhalen, recent of iets ouder, die u/je bijzonder hebben aangesproken door de heldere of eigenzinnige wijze waarop ze iets over kerk en geloven hebben verwoord… Deze kunt u/kun je mij dan mailen naar [email protected] en als ze passen in de huidige serie, krijgen ze daarin wellicht ook een plaatsje. Alvast bedankt!
Een (onbedoelde) bijdrage aan de serie van ds Foppen in Kerk in Den Haag van em pred. Rob van Essen:
De stoelen aan de raamkant van het ‘gemeentezaaltje’ zijn allemaal leeg. Terwijl in Nederland hagelstenen en stortbuien voor krantenkoppen zorgen, staan de stoelen te dampen in de morgenzon. Ik riskeer toch maar dit zonnebad, want het zaaltje stroomt vol.
De familie van de twee dopelingen haal je er zo uit. Feestelijk gekleed en een verwachtingsvolle blik. Op het liturgisch centrum overlegt de predikante met de meisjes die straks op de blokfluit gaan spelen. De pianoklanken verdrinken in de uitgewisselde groeten en nieuwtjes.
De dag ervoor zijn we in Breitenholz gearriveerd, twintig minuten rijden van Tübingen. Omdat de dorpskerk gerestaureerd wordt, viert men hier tijdelijk de eredienst. Voor mij een haast vertrouwde omgeving, als dominee die met zaaltjes vertrouwd is geraakt. Vakantie is voor mij niet alleen het bezichtigen van prachtige kathedralen en kennis nemen van hun geschiedenis. In Nederland en over de grens ga ik zondags naar de kerk. Of ik het nu versta of niet. De liturgie biedt altijd herkenningspunten, of dat nu de vredegroet is, het breken van het brood of het eerbiedig binnen brengen van de Bijbel. Ook is er altijd wel een lied waarvan de melodie je raakt. Het mooiste vind ik echter dat je, vreemdeling zijnde, toch iets van ‘thuis komen’ ervaart. ‘Een uur lang, meer dan er kan’, zingt het dan in mij.
Als er gedoopt gaat worden, staan de ouders en doopgetuigen voorin de kerk. Je weet wat er komen gaat en toch is het altijd weer een bijzonder moment als de ouders uitspreken dat dit kind een godsgeschenk is. Eerst wordt Sören gedoopt en zoals het soms ook gaat bij een geboorte, zet hij gelijk een keel op. Sommige evangelische broeders zagen dat als een bewijs dat ‘kinderbesprenkeling’ onbijbels is. De doop moet immers begéérd worden. Wat Philip betreft is er dan helemaal reden tot wenkbrauwen fronsen, want het kereltje slaapt rustig door het doopwater heen. Of geldt hier: ‘Hij schenkt het zijn beminden in de slaap’?
Maar even terugkomen op de schrikreactie van Sören. Ook volwassenen die blijmoedig tot het doopvont naderen, wil de schrik daarna nog wel eens om het hart slaan. In mijn eerste gemeente wist een jonge, buitenkerkelijke vrouw niet hoe snel ze Jezus wilde volgen in het watergraf. Enige maanden later zei ze: ‘Als ik geweten had hoe in mijn leven alles over de kop ging weet ik niet of ik eraan begonnen was.’
De (lied)dichter A.F. Troost schreef niet voor niets: ‘Dopen is diep doen ondergaan… dopen is nacht, is blinde schrik – nimmer gedacht: zo dood ben ik.’ Maar het lied gaat verder: ‘Dopen is dág, is moederschoot – kom maar en lach, je bent niet dood.’
Doopdiscussies, ik heb mijn deel ervan gehad in mijn werk als wijkpredikant. Maar wat is het mooi als, in de zomerzon – zonder theologische wolkjes aan de horizon – het water de taal van dood en opstanding predikt en de gemeente dat zingend beaamt.
‘Waarom zou ik naar de kerk gaan’, schreef wijlen professor Van Ruler.
Mijn antwoord vanuit Breitenholz: daarom.
Tijdens een vesper rond de Pinkstercantate Taal van liefde las tekstschrijver/pastor Michael Steehouder deze twee parabels van zijn hand voor, daar mee een mooie verbinding makend tussen het taalverhaal van de torenbouw en dat van Pinksteren. Lees en geniet!

Parabel van Babel
Vijfentwintig jaar geleden stond ik daar
400 meter hoog, op die toren tot in de hemel,
het hoogste gebouw in de wereld.
Die toren om naam te maken voor
macht en rijkdom en wereldhandel.
Alle mensen op de wereld
leken die ene taal te verstaan.
Tien jaar later boorde zich een vliegtuig
in de toren, en nog een in zijn tweelingbroer.
In stof vielen de torens
en 3000 mensen vonden de dood.
En ik wist – en niet voor het eerst:
die ene taal bestaat niet.
Er bestaat een taal van
macht en oorlog en weerstand
wantrouwen en eigen gelijk.
En er bestaat een taal van mensen
die moeten zwijgen
die moeten zwoegen
die moeten lijden
die moeten boeten
die moeten buigen
die moeten zuchten
die moeten huilen
die moeten vluchten.
En zuster Immaculata
die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast,
in bed verschoont,
en eten voert.
Zij zwijgt.
Zo gaat de parabel van Babel:
De Eeuwige bracht spraakverwarring onder hen
zodat ze elkaar niet meer verstaan.
Zij raakten verspreid over de aarde
en de bouw van de toren werd gestaakt.

Parabel van de kerk met Pinksteren
Eens was het
een groot en machtig bouwwerk.
Bestand tegen regen en storm
en de tand des tijds.
Eeuwen overeind,
stevige muren, veilig dak.
En daarin een menigte
die niemand tellen kon.
Nu nog maar een enkeling.
Het bouwwerk stort in,
grote stukken zijn al afgebroken.
Hier en daar lapt iemand nog wat op,
ergens stut iemand een scheefhangend raam
met wat planken.
Sommigen treuren erom,
anderen sluiten hun ogen.
De meesten lopen weg.
Alleen een klein groepje
mensen in een hoekje
die iets nieuws willen beginnen.
Onbruikbaar puin afvoeren,
de nog gave stenen
inmetselen in iets nieuws.
Veel vorm heeft het niet.
Een hemelhoog bouwwerk
zal het niet meer worden.
Hooguit een hutje misschien,
vol kieren en gaten,
waar de wind en de regen
vrij spel hebben.
Geen bescherming tegen het
lawaai van de grote stad.
Hooguit een hutje,
in weer en wind.
Net genoeg
om iets nieuws te beginnen,
een daarmee naar buiten te komen,
in de stad
die er omheen is gebouwd

Tijdens mijn opleiding aan de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam heb ik geleerd dat traditie bij de gratie van vernieuwing leeft en als dat niet meer het geval is, als de beelden en verhalen uit een traditie niets meer te zeggen hebben in het dagelijkse bestaan van mensen, de desbetreffende traditie dood is. Met andere woorden: Traditie is steeds aan verandering onderhevig als ze in het leven van mensen iets te zeggen heeft. En vaak is dat niet alleen maar hier en daar een beetje bijschaven, nee, die veranderingen kunnen soms behoorlijk ingrijpend zijn. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de oudkatholieke kerk die in 1996 besloot vrouwen tot priester te wijden.
We hebben in een van onze onderzoeksprojecten aandacht besteed aan de vraag hoe tradities veranderen en daar is het DSTS-cahier ‘Overgeleverd aan de toekomst. Christelijke traditie in een na-traditionele tijd’ uit ontstaan. Mijn toenmalige collega, Angela Berlis, net tot hoogleraar benoemd aan de universiteit van Bern, Zwitserland, heeft als tot priester gewijde oud-katholiek deze ontwikkeling in een daarin gepubliceerd artikel beschreven. Een van de vragen die dan ontstaat, is: Sta je dan nog wel in de traditie van de katholieke kerk als je daartoe overgaat? Ja, zegt Angela, je sluit alleen aan bij een andere lijn in de traditie die tot dan toe onderbelicht is gebleven, de traditie van Maria van Magdala (p. 54). Maria van Magdala die in de traditie apostola apostolorum – de apostel van de apostelen – wordt genoemd. De traditionele legitimatie van het priesterschap past niet meer en zo worden er nieuwe referenties geschapen die in dit geval op een nog oudere traditie teruggrijpen, namelijk de bijbelse verhalen over Maria van Magdala. Zo treedt een pneumatologische fundering van het ambt meer op de voorgrond dan de christologische. Want – zoals de Oostenrijkse componist Gustav Mahler zo mooi zei: “Tradition ist die Weitergabe des Feuers und nicht die Anbetung der Asche” (Traditie is het doorgeven van het vuur en niet het aanbidden van de as). De apostolische traditie beroept zich in dit geval op Joh. 20,17 – ga en verkondig! – een nieuwe ambtscultuur voor mannen en vrouwen. Met andere woorden: de christelijke traditie is veelvoudiger dan menigeen denkt en zo zei Peter Nissen, kerkhistoricus en hoogleraar aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen, afgelopen week terecht in het theologische elftal van Trouw dat je eigenlijk van tradities moet spreken en niet van de traditie. De verschillende stromingen in het christendom zijn niet op een noemer te brengen.
Dit beseffend is het opvallend dat wij het eigenlijk altijd over de eenheid en nooit over de veelheid in de christelijke traditie hebben. Het bewustzijn dat we met veel verschillende stromingen binnen het christendom te maken hebben en dat deze verschillen elkaar niet hoeven uit te sluiten zou een nieuw perspectief op waarheid kunnen bieden. Dan gaat het er niet langer om die ene ware leer te verdedigen, zoals dat zo vaak in de kerkgeschiedenis is gebeurd, maar om het erkennen dat verscheidenheid mogelijkerwijs een gave Gods is – een caleidoscoop bestaand uit brokstukken van verschillende tradities dat ons steeds weer een ander beeld laat zien en bijdraagt aan een ruimer wordend besef van datgene dat wij God, Allah of de Eeuwige noemen. Kan dat? Moet traditie niet aan een duidelijke, het liefst eenduidige identiteit bijdragen, zodat we weten waar we voor staan en hoe we ons als christen onderscheiden ten aanzien van de anderen? De moslims, de hindoes, de atheïsten, etc. Is dit niet een verwatering van onze christelijke identiteit, verraad aan ons geloof in God en Jezus Christus? Ik denk van niet en ik wil graag toelichten waarom ik van mening ben dat het vanuit het christelijk zelfverstaan zelfs noodzakelijk is, traditie in dialoog met andere religies en levensbeschouwingen te plaatsen.

Omgaan met verschillen
De vraag die op de achtergrond van deze hele thematiek staat, is de vraag hoe we omgaan met verschillen. Hoe ga je om met de ander die anders is dan jezelf? Is hij of zij een bedreiging voor mijn eigen identiteit of kan ik zijn of haar andersheid als een verrijking ervaren? Hoe ga je om met veelvoud en hoe verhoudt zich dat tot ons denken in eenheid.
Onze samenleving wordt steeds multireligieuzer door migratie als gevolg van de globalisering. Er leven ongeveer 800.000 moslims in Nederland, maar ook 800.000 migrantenchristen. Veel mensen in Nederland noemen zich wel religieus maar gaan niet meer naar de kerk. Religie is ‘hot’, maar de mensen verlaten de kerken. Elk jaar verdwijnt een stad van ongeveer 67.000 inwoners en dat wijkje dat erbij komt door de charismatische en evangelicale kerken met 3000 leden per jaar kan het tij niet keren. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond – het WRR-rapport, het Sociaal en Cultureel Planbureau, het KRO onderzoek God in Nederland – dat het geloof in God als persoon is afgenomen. Een kwart van de Nederlanders noemt zich ietsist. De ‘ongebonden spirituelen’ zoeken in verschillende religieuze tradities en levensbeschouwelijke richtingen naar wat waarde en richting geeft aan hun leven. Zeker in tijden van crisis zijn mensen onzeker en verlangen naar houvast in een samenleving die heel snel verandert en die met alle voor en nadelen zeer individualistisch is geworden. Men wil zich niet meer binden aan instituten en dat heeft niet alleen gevolgen voor de kerken, maar bijvoorbeeld ook voor politieke partijen en sportclubs. Na 9/11, na de terroristische aanslagen in Europa, de religieus gemotiveerde moord op Theo van Gogh is het wij–zij denken steeds sterker geworden. En de economische crisis die zoals altijd de zwaksten in de samenleving het eerst treft, zal een wij-zij denken alleen maar aanwakkeren. Angst en onwetendheid zijn een goede voedingsbron voor clichés en op dit moment zijn vooral de molims in ons land daar de dupe van. Het motto ‘eigen haard is goud waard’ viert hoogtij. Men trekt zich terug op eigen erf, op zoek naar een nationale, roomskatholieke en/of protestantse identiteit alsof er nooit een oecumene is geweest. Traditie als baken in onzekere tijden – terug naar de oermythe van het paradijs – naar de verbeelde eenheid die in werkelijkheid zo niet bestaat.
Maar dit alles kan niet voorkomen dat de werkelijkheid er anders uitziet. Europa is inmiddels een immigratiegebied, waar mensen van verschillende culturen en religies leven. De ander, de vreemde die vijftig jaar geleden nog op een veilige afstand bleef, is door de mondialisering en de daarmee samenhangende migratie onze buurman of buurvrouw geworden. Of wij dat nu prettig vinden of niet, de realiteit is dat een derde van de inwoners van Frankfurt geen Duits paspoort heeft en dat bijna een derde van de bevolking van Londen van Aziatische of Afro-Caribische afkomst is. Parijs is de op twee na grootste ‘Portugese’ stad. En Rotterdam nadert de Canadese stad Toronto, waarvan 44 procent van de inwoners van buitenlandse herkomst is. En al deze mensen brengen weer hun eigen tradities mee. Dat gaat niet ongemerkt aan de christelijke traditie voorbij.
Ik denk dat wij ons niet door de angst voor vernieuwing moeten laten leiden, waardoor we geneigd zijn tot herzuiling. Het gaat er om een nieuw wij in Nederland te creëren en daarbij de verschillende religieuze tradities als inspiratie te gebruiken. Kernwaarden die ons mede de richting wijzen om het wij-zij denken ten gunste van een nieuw wij te overwinnen. Hoe kun je culturele en religieuze diversiteit vruchtbaar maken? Hoe kun je verschillen verbinden? Wij hebben daarvoor het multimediale project W!J opgezet – ik ga hier nu niet nader op in, maar als u op www.nieuwwij.nl kijkt en dan bovenaan de site ‘Over wij’ aanklikt, wordt u duidelijk wat de bedoeling is.

Mengen
Volgens mij is het belangrijk het woord ‘mengen’ weer een positieve klank te geven. In christelijke kringen is er de angst voor syncretisme. Vreemd eigenlijk, want het christendom zelf is een syncretistische religie vanaf den beginne. Elementen van omringende religies en culturen zijn in het christendom terug te vinden en anders kan het ook niet, wil een religie mensen in de desbetreffende tijd iets te zeggen hebben. Je ontwikkelt niet ‘out of the blue’ iets nieuws, je bouwt iets nieuws op in continuïteit en discontinuïteit met het vertrouwde. Ons huidige uit de moderniteit voortkomend cultuurconcept is op eenheid gebaseerd – een taal, een territorium, een godsdienst, maar in een tijdperk van globalisering klopt dit niet meer. Vroeger kon je emanciperen in een zuil, maar nu mensen via migratie in Nederland zijn gekomen met een andere taal, cultuur, godsdienst, werkt dat niet meer. Als je voor islamieten een aparte zuil creëert, bevorder je niet hun emancipatie, maar eerder apartheid omdat zij bijvoorbeeld een taalachterstand zullen oplopen die hen op de arbeidsmarkt in Nederland kansloos en tot tweederangs burgers maakt.
Als we niet beter mixen, en naar meer participatie van iedereen aan een toekomstig Nederland streven, dreigt segregatie. Er hangt dus veel af van of het ons lukt culturele en religieuze verschillen vruchtbaar voor Nederland/voor Europa te maken – anders zouden de verschillen Europa kunnen verscheuren, zoals de vroegere magister van de orde der dominicanen, Timothy Radcliffe, vreest.
Maar ik zou het beeld vertekenen als ik zou doen alsof er in Nederland alleen maar tekenen van segregatie en herzuiling te zien zijn. Ook vermenging vindt plaats. Er zijn mensen die zich reeds verbonden voelen met meerdere religieuze tradities. In de theologie wordt dit tegenwoordig aangeduid met het begrip: multiple religious belonging – het meervoudig religieuze toebehoren.
Het laatste onderzoeksproject op het DSTS was gewijd aan de transformatie van religieuze identiteit in Nederland. Welke veranderingen hebben er eigenlijk in de afgelopen 30 jaar plaatsgevonden in de persoonlijke levens van mensen? We vroegen het aan 14 meer of minder bekende Nederlanders met verschillende religieuze achtergronden. Daaruit kwamen de boeken Moderne devoties en Nader tot u? uit voort. Er zijn auteurs bij die zich laten inspireren door verschillende religieuze tradities zonder zich door het verwijt van syncretisme te laten afschrikken. Er gebeuren cross-overs, van één religie naar een andere en men vraagt zich geen moment af of dat wel mag. Religieuze diversiteit wordt niet als bedreigend ervaren, maar als een verrijking gezien. Zo beschrijft bijvoorbeeld Annemiek Schrijver, presentatrice bij de IKON en opgegroeid in een streng gelovig vrijgemaakt gereformeerd gezin, hoe ze zich laat inspireren door het Tibetaanse boeddhisme. Toen haar stiefzoon Michael plotseling bij een verkeersongeluk om het leven kwam, gaf iemand haar het Tibetaanse boek van leven en sterven van Sogyal Rinpoché. Begrippen als vrede, mededogen, wijsheid, die haar van jongs af aan vertrouwd waren maar toch heel abstract bleven, kwamen tot leven. Zij verdiepte zich in boeddhistische spiritualiteit en deze wierp een nieuw licht op haar eigen christelijke traditie. Ook de joodse publiciste en rabbijn Tamarah Benima, heeft een andere religieuze traditie in haar leven opgenomen: het soefisme. Voor haar is het niet moeilijk om een diepere laag in de verschillende religies te vinden. Zij ervaart de verschillende religieuze tradities waarmee zij zich existentieel verbonden voelt als een verrijking in haar leven. Zij schrijft: „Net zoals ik het prettig vind om vloeiend Engels en vloeiend Duits te kunnen spreken, en me te kunnen behelpen in het Frans en het Hebreeuws, zo vind ik het prettig om verschillende religieuze talen te spreken, zodat ik met anderen in hun religieuze taal kan communiceren.” Religieuze identiteit is hier niet gebonden aan één religieuze traditie. Noch verdedigt men de eigen religie koste wat kost, noch zet men zich er krampachtig tegen af. Men wikt en weegt en neemt uiteindelijk dat mee wat als heilzaam wordt ervaren. En men staat open voor tot nu toe nog onbekende religieuze en levensbeschouwelijke invloeden en vindt daarin nieuwe inspiratie.
dr. Manuela Kalsky
overgenomen van www.nieuwwij.nl naar aanleiding van bijeenkomst van de Werkgroep Religieuzen Tegen Vrouwenhandel waar de tekst van Mahler als verwijt aan de ‘kerk’ werd gebruikt

Schaken
Deze zomer heb ik voor de zoveelste keer meegedaan aan het schaaktoernooi voor pastores. Waarom? Dat weet ik eigenlijk niet. De kans op het kampioenschap is nihil, want ik ben een zeer matige speler. Maar tijdens zo’n toernooi is er ook slachtvee nodig, en daarvoor blijk ik weer uitermate geschikt. Regelmatig ga ik dus roemloos ten onder, maar een enkele keer lukt het een tegenstander te verschalken. Dat zijn de momenten waar je het voor doet. Verder is het de serene sfeer rond de borden. Schakers zijn af en toe een beetje vreemd, maar verder – ondanks het gevecht om de koning ‒ uiterst vreedzame mensen.De laatste twee jaar zitten we op een bijzondere plek in Amsterdam. Daar is het oude Burgerziekenhuis omgebouwd tot een prachtig hotel. Binnen speelt de top van Nederland om de nationale titel, met dit jaar ook wereldtopper Anish Giri die zoals verwacht kampioen werd. Buiten, op een terras aan de Linnaeusstraat, zitten de pastores gebroederlijk – helaas weer geen zusters ‒ onder de parasols. Voor mij is het een plek vol herinneringen, omdat ik tijdens mijn studie iets verderop gewoond heb, domweg gelukkig in de Dapperbuurt. Tijdens het toernooi kijk ik af en toe naar de Muidertoren, die de brand overleefde waardoor de rest van mijn oude wijkkerk verwoest werd. Ook moest ik aan Theo van Gogh denken, die aan de overkant van de straat zo gruwelijk werd vermoord. En aan de wijze woorden van zijn lieve moeder: Theo, je mag het wel zeggen, maar het hoeft niet. Schaken heeft iets mystieks. De stukken, de velden, de combinaties, de concentratie. Het blijft het spel van de oneindige mogelijkheden, ook in het computertijdperk. Nooit verlopen twee partijen hetzelfde, altijd zijn er weer nieuwe zetten die te denken geven. En je denkt er af en toe iets van te begrijpen, maar even later wordt die illusie je weer uit handen geslagen. Ergens is het ook een naar spelletje. Als je met tennissen een mispeer slaat, is er weinig aan de hand. Meestal krijg je een herkansing om de game, set of match naar je toe te trekken. Bij schaken betekent één foutje al snel dat je hele stelling naar de Filistijnen is. Dat heeft iets van een levensles. Er zijn momenten in het leven die om opperste concentratie vragen en geen achteloosheid verdragen.Bij schaken gaat het niet om een flitsende aanval waarmee je de koning van de tegenpartij zo snel mogelijk mat zet. Veel belangrijker is de opbouw van je stelling: staan je stukken op de goede velden?
Daarin zit een leerschool voor het kerkenwerk, als het om de vacatures gaat. Soms willen we die zo graag opvullen, dat mensen een taak krijgen opgedrongen die helemaal niet bij hen past. Op den duur levert dat steevast frustraties op. In de regel is het beter een vacature open te laten tot zich een geschikte kandidaat aandient. Een loper kan geen paardensprongen maken. Een kerk vaart wel bij de juiste persoon op de juiste plek.
Jan Offringa is predikant van de protestantse gemeente De Voorhof te Kesteren en schreef deze column voor Woord& Dienst, opiniemagazine voor protestants Nederland
Op menige vrije school wordt regelmatig onderstaande tekst gereciteerd, zeg om de lieve vredeswil aub niet ‘gebeden’, alhoewel ik een gebed aan de ontbijttafel in een christelijk gezin met deze tekst zeker niet ongepast zou vinden als ook op maandagmorgen in het pc en rk onderwijs. Maar oordeel zelf!

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens, bezield,
de geest een woning geeft;
ik schouw diep in de ziel,
die binnen in mij leeft.
De Godesgeest hij weeft
in zon- en zielelicht,
in wereldruimte, buiten,
in zielendiepten, binnen.
Tot u, o Godesgeest
wil ik mij vragend wenden,
opdat de kracht en zegen
voor leren en voor arbeid
tot wasdom moge komen.

Door een protestant, mea culpa

Het zijn niet alleen christelijke en/of oude bronnen die mij inspireren. Vooral tijdgenoten met een eigenzinnige blik laat ik graag een welkome verrassing zijn. Zelfs uit seculiere hoek, waar Monty Python een absolute favoriet is, vandaar dat ik dezer weken ook open stond voor de volgende ‘openbaring’:

De mooiste ervaring in deze vakantieweek kreeg ik vandaag voorgelezen van mijn echtgenote Dullyna: vrij naverteld (ivm copyright op ‘het Rosie-project’):
Na Jezus’gesprek met/over de vrouw met het zeer ruime hart hoorde hij aan een kreet dat er een steen doel had getroffen waarna hij zonder omkijken zei “Wat wordt ik soms toch moe van je, moeder!!”

Zo kaal naverteld zullen alleen kenners van deze geschiedenis de clou begrijpen!!

Eerdere teksten hebben wellicht het beeld doen ontstaan dat ik voorkeur heb voor alleen maar eigentijdse vernieuwende theologen? Daarom bij het onderwerp ‘Verliefdheid bij tieners, dertigers en senioren’ een brieftekst uit 1131 van de Franse kloosterzuster Heloïse aan haar geliefde. Lees en herken!
Want niets is minder onder onze controle dan het hart – daar wij niet bij machte zijn het te bevelen, zijn wij gedwongen het te gehoorzamen. En dus, wanneer de impulsen ervan ons bewegen, kan niemand van ons de plotselinge aandrang ervan weerhouden van losbreken, en ook niet van nog gemakkelijker overstromen
in woorden die de voor ieder leesbare aanwijzingen zijn van de emoties van het hart, zoals geschreven staat: “De woorden van
een mens worden gesproken uit het overstromen van het hart” (Mattheüs 12:34).
Ik zal dus mijn hand weerhouden van het schrijven van woorden,waarvan ik mijn tong niet weerhouden kan te spreken; wàs het maar zo dat een treurend hart even bereid zou zijn te gehoorzamen als de hand van degene die schrijft!
En toch heb jij het in je macht mijn verdriet te genezen, zelfs al kun je het niet geheel wegnemen. Zoals de ene nagel de andere uitdrijft wanneer die in het hout getimmerd wordt, verdrijft een nieuwe gedachte een oude, wanneer de geest gericht is op àndere dingen en gedwongen de herinnering aan het verleden te verjagen of te onderbreken. Maar hoe vollediger een gedachte de geest bezig houdt en deze afleidt van andere dingen, des te waardevoller zou het onderwerp van zulk een gedachte moeten zijn en des te belangrijker is het waarop wij onze geest richten.’
Met dank aan Rita Schillings ‘Vrouwen aan het venster’ over 4 spirituele vrouwen uit de Middeleeuwen
Mijn moedermaand

In de Rooms Katholieke traditie staat de meimaand in het teken van Maria. De oorsprong hiervan ligt in de verering van de Romeinse godin Maia, wat oorspronkelijk ‘moeder’ betekende. Dus bedacht men in de Middeleeuwen dat deze maand een prachtige aanleiding is de ‘moeder Gods’ te vereren. Met ‘Maria visitatie’ wordt deze periode op de 31 mei afgesloten. Inmiddels is er in onze lage landen nog nauwelijks sprake van Maria-verering en in de oecumenische toenadering is zij eerder een struikelblok dan een verzoenende moeder. Door mijn kennismaking met de protestantse ‘Marienschwestern’ in Duitsland meer dan veertig jaar geleden ben ik aan het denken gezet. ‘Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen’, zingt Maria in het Magnificat (Lucas 1:48). Maar de uitbundige Maria-devotie bij katholieken maakte dat Maria bij protestanten alleen rond Kerst even mag meedoen. Daarna moet ze weer terug in de doos bij de kerstversiering. Jammer, want via Maria kun je net even anders naar de kerk en jezelf leren kijken.
Het is het ‘fiat’ van Maria – ‘mij geschiede naar uw woord’ – dat ruimte maakte voor de komst van Christus. Zij is ‘beeld’ van de Kerk die Christus in de wereld mag brengen. De mannen hebben altijd hoog van de (kerk)toren geblazen in de geschiedenis, maar zonder haar fiat en het getuigenis van de vrouwen bij het graf hadden wij de genade niet leren spellen.
Al komt het woord ‘genade’ niet meer voor in de ‘Bijbel in Gewone Taal’, toch snappen gewone mensen verdraaid goed wat dat is. Meimaand, moedermaand, vol van genade! Dat begint al gelijk op de 1e mei, de dag van de arbeid. Dat je werk hébt en werken kunt, dat is immers allerminst vanzelfsprekend. Iemand moet iets in je zien, je een kans geven. Over 4 en mei mei kan ik kort zijn: mijn vrijheid, onze rechtsstaat danken we aan wie hun leven offerden. Op de 12e mei schonk mijn moeder mij het leven en ik ben haar daarvoor nog steeds dankbaar. Het is ook ‘dag van de verpleging’, deze geboortedag van Florence Nightengale. Welk een goedheid wordt ons deel in (mantel)zorg en vindplaatsen van barmhartigheid! De 17e mei is het alweer zeven jaar geleden dat Neeltje en ik in de Waalse kerk de zegen over ons huwelijk ontvingen. Om het met de dichter te zeggen: ‘bloeien aan dorens van de rouw lachend de rozen open’. ‘Moederdag’ hoeft misschien niet van u, commerciële uitvinding. Maar als we bedenken dat de profeet Jesaja de moederliefde met de liefde van God vergelijkt, kunnen we wellicht minder zwaar tillen aan de ‘heidense’ geboortepapieren ervan. Een rabbijnse uitspraak luidt: ‘Omdat God niet overal kan zijn, schiep Hij moeders’. De 24e vieren we Pinksteren en volgens het verslag van Lucas maakte Maria deel uit van de verwachtingsvolle gemeenschap in Jeruzalem. Op iconen zit zij vaak centraal in de kring, want zij heeft aan den lijve de vreugde en pijn van het moederschap ervaren. Die Geest van het moederschap vervult straks heel de kring, opdat tranen gedroogd worden en pijn weggekust.
Rob van Essen
em. predikant Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Rijswijk
column uit Kerk in Den Haag mei 2015

Niet alle teksten die mij raken zijn oorspronkelijk van de veerteller, sommige voorgangers hebben een rijke voorraad aan metaforen en opmerkelijke toelichtingen, zoals ds Evert van Leersum op 15 maart in zijn preek over de spijziging van de 4.000, met onderstaande tekst.
Leen van den Herik
Misschien heette hij wel Jakob
Was de zoon van een bakker
En had hij tien vissen in een kom
Op een kwade dag
Waren er acht vissen dood
En twee leefden nog – ternauwernood
Snikkend keek hij in zijn kom
Het ventje dacht ten einde raad
Die twee vissen moet ik redden
Straks is het ook voor hen te laat
Hij nam de kom en brood als gift
En ging naar Jezus die genas
Al wie ziek was – mens en dier
Hij vertrok met snelle pas
Eenmaal daar was het te druk
Hij zocht de Here zelf, maar nee
Hij gaf zijn brood en kom toen maar
Gerust aan een discipel mee
Maar zo’n man kan zich vergissen
Of begreep hij het niet goed
Jakobs broden en zijn vissen
Vijfduizend man gevoed
auteur: Cornelis van Halm uit Tjonge, die God! humoristische verzen. Uitgave: Merweboek, Sliedrecht
Naast het heldere en duidelijke verhaal in Kruispunt, die duidelijk maakte over welk begin dat gaat, is er ook een ander verhaal, zoals ik dat hoorde in Haarlem van een predikant i.o. die stage liep bij Jurjen Beumer’s diakonale centrum Stem in de Stad, en wel dit:
Leen van den Herik
Soms kom ik zwevend weer aan op Amsterdam Centraal. Vol van de mooie ontmoetingen. Boordevol energie van de levenskracht die ik zie bij de gasten, het zorgen van de vrijwilligers en het doorzettingsvermogen van het team.
Maar soms is het ook vreselijk zwaar. Is het zwaar om de verhalen aan te horen over mishandeling en eenzaamheid, over zinloosheid en gemis.
De wederkerige ontmoetingen met de gasten houden me scherp. Want wat hebben die mooie grote woorden van de theologie en van mijn geloof voor betekenis in een realiteit waarin mensen moeten vechten om het hoofd boven water te houden, om mee te doen in de samenleving, om hun waardigheid te behouden?
Is het geen luxe dat ik die woorden kan gebruiken? Van een God die je ziet, die jou recht van bestaan geeft. Wat betekent bidden als je van binnen constant onrustig bent door alles wat je in je leven hebt meegemaakt, wat je achter je hebt moeten laten, wat je met je eigen ogen gezien hebt? En waar niemand naar mag vragen omdat het je teveel is. Omdat je verhaal geen kant op kan zonder dat je er zelf aan onderdoor gaat.
De vraag wie of wat ik ben als pastor op deze plek blijft spannend. Hoe meer ik los heb gelaten, hoe meer ik heb ontvangen. Maar het blijft me bezighouden. Hoe is God hier aanwezig? Hoe kan ik van waarde zijn?
En terwijl deze vragen door mijn hoofd spelen, gebeurt er dit. Aan een tafeltje in het aanloopcentrum zit een Turkse man. Ik had hem al eerder gezien. De week ervoor was er een non uit Israël op bezoek in het aanloopcentrum. Zij maakte een praatje met de gasten en ik vertaalde voor haar. Zij gaf aan iedereen een kaartje met een afbeelding van Jezus die ze mee had genomen uit Bethlehem. De man was stilletjes in haar buurt gaan zitten en wachtte af tot ze tijd voor hem had. Toen vroeg hij, via mij, of ze iets op het kaartje wilde zetten. Iets over geluk, zei hij. Dat deed ze. Ze schreef dat God altijd bij hem was en hem zou zegenen in zijn verdriet en zijn verlangen naar geluk. Hij was zichtbaar onder de indruk.
Nu is hij er weer. We raken in gesprek. Aan een wand in het aanloopcentrum hangt een poster met de tekst: ‘Zonder hoop is er geen morgen’. Hij wijst ernaar. En zegt dat hoop een manier van dromen is. En dat hij altijd al droomt van een gelukkiger leven. Hij vertelt mij ook dat hij naast dromen ook veel nachtmerries heeft. Die hebben met vroeger te maken. Ik weet niet precies wat er vroeger gebeurd is. Ik vraag er ook niet te veel naar, ik zie in zijn ogen een doffe blik.
We praten wat door over zijn dromen en nachtmerries, zoekend naar woorden en soms alleen maar in stilte en opeens zegt hij: Vroeger is voorbij, ik weet niet wat er morgen gebeurt, nu is waarheid. En nu ben ik gelukkig, nu ik zo thee zit te drinken met jou. Ondertussen brengt een vrijwilliger een plakje cake. Ik heb al gehad, dus ik bedank. Maar de man breekt zijn cake en geeft mij een stukje.
Ik ben ontroerd. Ik zie iets glinsteren in zijn ogen, wat er eerder niet was. Er is iets gebeurd. Het delen van de cake was voor mij als het breken van het brood.
De man en ik praten verder, over onze families, over buren. Hij vraagt naar mijn studie, wat ik word en waar ik zal gaan werken. We komen over God te spreken. Hij zegt dat hij niet in God gelooft, of misschien toch wel, voor 50%. Voor de andere 50% gelooft hij in mensen. Die kan hij tenminste zien, God niet.
Met mijn handen herhaal ik wat hij zegt. Horizontaal voor de mensen, verticaal naar God. “Bedoel je dit?” Mijn handen vormen een kruis. Hij knikt van ja. “En in het midden zit geluk”, zeg ik. “Ja, in het midden zit geluk!” Het is tijd. Het aanloopcentrum gaat dicht. De hele middag heeft hij geoefend op mijn naam en bij het afscheid spreekt hij die uit. We hebben elkaar ontmoet.
Over God gesproken..
Marjolijn de Waal
Zondag 18 januari was het Kanazondag en ik heb op www.kerkomroep nog niet beluisterd – wat ik vaak wel doe – op welke verkondiging u hier in de Gorcumse kerken bent getrakteerd. Ik mocht die dag aanwezig zijn bij de intrededienst van ds. Geertje de Vries in de Goede Herderkerk in Huizen. Geertje de Vries die u als Gorcummer waarschijnlijk ook met zovelen heeft meegemaakt toen zij hier in Oost zich ontpopte van een jonge theologe tot Verbi Divini Minister. Weinigen waren er op 19 december 2008 in Kampen bij toen zij met de verdediging van haar proefschft ‘Leren zien – leren geloven’ haar kleurrijke vleugels ontvouwde als doctor in de godgeleerdheid. Juist en deze ds De Vries verraste mij en haar nieuwe gemeente met onderstaande Kana-preek!
Leen van den Herik

Gemeente van Jezus Christus,
Het feest in Kana dreigt in het water te vallen, nog voor het goed en wel begonnen is.
Johannes valt met zijn beschrijving van Jezus’ eerste wonder meteen middenin de weerbarstigheid van het leven. Het zou een feest moeten zijn.De mensen zijn gekomen om de liefde te vieren, hoop op de toekomst, vertrouwen in het leven, verbondenheid van mensen die elkaar tot naaste willen zijn.
Maar dat alles dreigt als een nachtkaars uit te gaan. De wijn is op. Het feest komt tot stilstand.
Gemeente, dit bijbelgedeelte heb ik altijd bijzonder gevonden.
Want het lijkt zo’n onbelangrijk en triviaal probleem. Geen wijn op een bruiloft, toegegeven, dat is minder fijn. Gezellig is anders. Maar het is nou ook weer niet levensbedreigend, zou je zeggen. De gasten zullen het wel overleven, als ze een keer water moeten drinken. Wijn is toch zeker geen eerste levensbehoefte.
Stel dat u de schrijver van een evangelie was.
En u zou moeten bedenken wat nu het eerste wonder was, dat u van Jezus wilde vertellen. Dan was het vast iets anders geworden: wellicht het genezen van een zieke, het helpen van de armen en de hongerigen, misschien zelfs het stillen van de storm of het verdrijven van een boze geest. Maar water veranderen in wijn? Dat lijkt toch iets teveel een luxe-wonder te zijn. Er zijn toch zeker wel grotere problemen in de wereld dan het feest in Kana dat dreigt te verwateren?
In het licht van alle ziekte, gebrek, verwarring en gebondenheid waarin mensen klem kunnen raken, lijkt het ontbreken van wijn wel de minste van de zorgen. En toch is dit hoe Johannes ons Jezus presenteert. Zijn eerste wonderteken is dat hij het feest in Kana redt.
De evangelist Johannes zet hoog in, met zijn verhaal over Jezus.
In het eerste hoofdstuk maakt hij duidelijk dat hier een mens van God is verschenen.
Hij reikt helemaal terug naar het begin van de dingen, hij grijpt terug op de oorsprong, de schepping, als hij de komst van Jezus verkondigt :
‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’
Het scheppende woord van God, dat licht bracht in de duisternis, dat grond onder de voeten schiep, dat bewoonbare aarde tot aanzijn bracht, en dat de mensen tot leven riep, dat Woord is ook hier en nu aan het werk in deze mens Jezus.
‘Het Woord is mens geworden, en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader’.
Daar is het Johannes om te doen. Hij wil laten zien dat in Jezus God aan het werk is, de schepper, de dragende kracht van het leven. De God die gisteren en heden dezelfde is, is hier en nu in Jezus aan het licht gekomen.
Op de derde dag wordt de bruiloft gevierd, vertelt Johannes.
De derde scheppingsdag is de dag van de vruchtbaarheid. De planten en bomen ontkiemen, ze komen tot bloei en dragen hun vruchten, en ze vormen hun zaden, allemaal op die derde dag en God zag dat het goed was.
Johannes laat ons de echo horen van dat scheppingsverhaal: Op de derde dag ontkiemt er iets. De liefde wordt gezaaid en komt tot bloei. De bruiloft wordt gevierd, het glas wordt geheven, opdat het leven van mensen vrucht zal dragen.
Maar Johannes weet ook dat wij niet meer in het paradijs leven.
Wij zijn geen scheppers, zoals God, en de schepping is niet meer onverdeeld goed.
Niet alles wat wij zaaien ontkiemt en draagt vrucht. Veel blijft dor en droog in deze wereld, Veel wordt in de knop gebroken, en de dorens van verdriet en lijden maken schrammen op onze ziel. We kunnen hoge woorden spreken, vrome wensen uiten en woorden van zegen, maar die bieden geen garantie op succes en geluk. Veel van wat we ondernemen, blijft vruchteloos. Zaaien in tranen, noemt de psalmdichter dat. Onze inspanningen, persoonlijk, maar ook als kerk, werpen maar al te vaak geen vruchten af.
In Kana ontbreekt het ook aan vruchten, en vooral ontbreekt het aan de vrucht van de wijnstok. Water is er genoeg. Zes grote vaten vol. Maar de wijn, die drank van het koninkrijk, die is op.
De zes watervaten kunnen we zien als een symbool voor de zes gewone dagen van de week. De dinsdagmiddagen. De woensdagavonden. De donderdagochtenden. Deze dagen vormen ons alledaagse bestaan. Daarin werk je, of leer je. Daarin zorg je, of maak je je zorgen. Die zit je uit, omdat de tijd voorbijkruipt, of je holt achter jezelf aan, overspoeld door zaken en zorgen.
De zes watervaten zijn een symbool voor het gewone leven. Waar vergaderd wordt, plannen gemaakt, beleid geschreven en omgezien. Allemaal nuttig en nodig, meestal. Maar dat is niet waar onze bronnen zijn. Het kloppend hart van het leven, de bruisende inspiratie voor het bestaan, is niet het platte, alledaagse water. Waar we opademen, is op het feest, waar de Geest waait die ons aan de gang houdt. Naast het water van het werken, en het zorgen, hebben mensen ook de wijn nodig, het vuur, het feest, om weer te weten waartoe wij bestaan. Als dat verwatert, als je niet meer weet waar je bronnen zijn, dan wordt het leven vruchteloos, vreugdeloos, eentonig.
Dit eerste teken van Jezus, op het eerste gezicht een luxe wonder, raakt dus wel degelijk aan de kern van het bestaan. De bron van het leven is in Kana opgedroogd. Het bestaan wordt een woestijn, in plaats van een vruchtbare tuin. Jezus zet dan geen wijnvat naast de zes watervaten. Maar hij verandert het water in wijn. De liefde van God, de trouw aan zijn beloften, wordt niet apart gezet van ons gewone leven. Maar door Gods liefde, die in Jezus aan het licht gebracht wordt, transformeert het alledaagse tot het heilige, wordt het gewone leven bijzonder. Omdat zijn licht erover schijnt.
Gemeente, vanaf vandaag mag ik samen met u optrekken. Met u en jullie kerk zijn, het leven en het werk delen. En ik hoop dat in het alledaagse, gewone leven, steeds weer momenten zullen opborrelen van heil en zegen. Op de zondag, hier, maar ook op de maandagmorgen, de woensdagavond en de vrijdagmiddag. Dat we steeds op zoek blijven naar bronnen van leven, dat we de wijn van het koninkrijk samen delen, en zo steeds weer weten, waartoe we zijn geroepen. Namelijk om naaste te zijn, en medemens te blijven, vruchten te dragen en licht te brengen.
Gedragen door de liefde van God, aangestoken met zijn Geest en bij geschenen door hem die het licht der wereld is, kunnen we verder, als geliefde mensen. Al onze dagen, tot zijn dag komt.
Amen

Zondag 18 januari was het Kanazondag en ik heb op www.kerkomroep nog niet beluisterd – wat ik vaak wel doe – op welke verkondiging u hier in de Gorcumse kerken bent getrakteerd. Ik mocht die dag aanwezig zijn bij de intrededienst van ds. Geertje de Vries in de Goede Herderkerk in Huizen. Geertje de Vries die u als Gorcummer waarschijnlijk ook met zovelen heeft meegemaakt toen zij hier in Oost zich ontpopte van een jonge theologe tot Verbi Divini Minister. Weinigen waren er op 19 december 2008 in Kampen bij toen zij met de verdediging van haar proefschft ‘Leren zien – leren geloven’ haar kleurrijke vleugels ontvouwde als doctor in de godgeleerdheid. Juist en deze ds De Vries verraste mij en haar nieuwe gemeente met onderstaande Kana-preek!
Leen van den Herik

Gemeente van Jezus Christus,
Het feest in Kana dreigt in het water te vallen, nog voor het goed en wel begonnen is.
Johannes valt met zijn beschrijving van Jezus’ eerste wonder meteen middenin de weerbarstigheid van het leven. Het zou een feest moeten zijn.De mensen zijn gekomen om de liefde te vieren, hoop op de toekomst, vertrouwen in het leven, verbondenheid van mensen die elkaar tot naaste willen zijn.
Maar dat alles dreigt als een nachtkaars uit te gaan. De wijn is op. Het feest komt tot stilstand.
Gemeente, dit bijbelgedeelte heb ik altijd bijzonder gevonden.
Want het lijkt zo’n onbelangrijk en triviaal probleem. Geen wijn op een bruiloft, toegegeven, dat is minder fijn. Gezellig is anders. Maar het is nou ook weer niet levensbedreigend, zou je zeggen. De gasten zullen het wel overleven, als ze een keer water moeten drinken. Wijn is toch zeker geen eerste levensbehoefte.
Stel dat u de schrijver van een evangelie was.
En u zou moeten bedenken wat nu het eerste wonder was, dat u van Jezus wilde vertellen. Dan was het vast iets anders geworden: wellicht het genezen van een zieke, het helpen van de armen en de hongerigen, misschien zelfs het stillen van de storm of het verdrijven van een boze geest. Maar water veranderen in wijn? Dat lijkt toch iets teveel een luxe-wonder te zijn. Er zijn toch zeker wel grotere problemen in de wereld dan het feest in Kana dat dreigt te verwateren?
In het licht van alle ziekte, gebrek, verwarring en gebondenheid waarin mensen klem kunnen raken, lijkt het ontbreken van wijn wel de minste van de zorgen. En toch is dit hoe Johannes ons Jezus presenteert. Zijn eerste wonderteken is dat hij het feest in Kana redt.
De evangelist Johannes zet hoog in, met zijn verhaal over Jezus.
In het eerste hoofdstuk maakt hij duidelijk dat hier een mens van God is verschenen.
Hij reikt helemaal terug naar het begin van de dingen, hij grijpt terug op de oorsprong, de schepping, als hij de komst van Jezus verkondigt :
‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’
Het scheppende woord van God, dat licht bracht in de duisternis, dat grond onder de voeten schiep, dat bewoonbare aarde tot aanzijn bracht, en dat de mensen tot leven riep, dat Woord is ook hier en nu aan het werk in deze mens Jezus.
‘Het Woord is mens geworden, en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader’.
Daar is het Johannes om te doen. Hij wil laten zien dat in Jezus God aan het werk is, de schepper, de dragende kracht van het leven. De God die gisteren en heden dezelfde is, is hier en nu in Jezus aan het licht gekomen.
Op de derde dag wordt de bruiloft gevierd, vertelt Johannes.
De derde scheppingsdag is de dag van de vruchtbaarheid. De planten en bomen ontkiemen, ze komen tot bloei en dragen hun vruchten, en ze vormen hun zaden, allemaal op die derde dag en God zag dat het goed was.
Johannes laat ons de echo horen van dat scheppingsverhaal: Op de derde dag ontkiemt er iets. De liefde wordt gezaaid en komt tot bloei. De bruiloft wordt gevierd, het glas wordt geheven, opdat het leven van mensen vrucht zal dragen.
Maar Johannes weet ook dat wij niet meer in het paradijs leven.
Wij zijn geen scheppers, zoals God, en de schepping is niet meer onverdeeld goed.
Niet alles wat wij zaaien ontkiemt en draagt vrucht. Veel blijft dor en droog in deze wereld, Veel wordt in de knop gebroken, en de dorens van verdriet en lijden maken schrammen op onze ziel. We kunnen hoge woorden spreken, vrome wensen uiten en woorden van zegen, maar die bieden geen garantie op succes en geluk. Veel van wat we ondernemen, blijft vruchteloos. Zaaien in tranen, noemt de psalmdichter dat. Onze inspanningen, persoonlijk, maar ook als kerk, werpen maar al te vaak geen vruchten af.
In Kana ontbreekt het ook aan vruchten, en vooral ontbreekt het aan de vrucht van de wijnstok. Water is er genoeg. Zes grote vaten vol. Maar de wijn, die drank van het koninkrijk, die is op.
De zes watervaten kunnen we zien als een symbool voor de zes gewone dagen van de week. De dinsdagmiddagen. De woensdagavonden. De donderdagochtenden. Deze dagen vormen ons alledaagse bestaan. Daarin werk je, of leer je. Daarin zorg je, of maak je je zorgen. Die zit je uit, omdat de tijd voorbijkruipt, of je holt achter jezelf aan, overspoeld door zaken en zorgen.
De zes watervaten zijn een symbool voor het gewone leven. Waar vergaderd wordt, plannen gemaakt, beleid geschreven en omgezien. Allemaal nuttig en nodig, meestal. Maar dat is niet waar onze bronnen zijn. Het kloppend hart van het leven, de bruisende inspiratie voor het bestaan, is niet het platte, alledaagse water. Waar we opademen, is op het feest, waar de Geest waait die ons aan de gang houdt. Naast het water van het werken, en het zorgen, hebben mensen ook de wijn nodig, het vuur, het feest, om weer te weten waartoe wij bestaan. Als dat verwatert, als je niet meer weet waar je bronnen zijn, dan wordt het leven vruchteloos, vreugdeloos, eentonig.
Dit eerste teken van Jezus, op het eerste gezicht een luxe wonder, raakt dus wel degelijk aan de kern van het bestaan. De bron van het leven is in Kana opgedroogd. Het bestaan wordt een woestijn, in plaats van een vruchtbare tuin. Jezus zet dan geen wijnvat naast de zes watervaten. Maar hij verandert het water in wijn. De liefde van God, de trouw aan zijn beloften, wordt niet apart gezet van ons gewone leven. Maar door Gods liefde, die in Jezus aan het licht gebracht wordt, transformeert het alledaagse tot het heilige, wordt het gewone leven bijzonder. Omdat zijn licht erover schijnt.
Gemeente, vanaf vandaag mag ik samen met u optrekken. Met u en jullie kerk zijn, het leven en het werk delen. En ik hoop dat in het alledaagse, gewone leven, steeds weer momenten zullen opborrelen van heil en zegen. Op de zondag, hier, maar ook op de maandagmorgen, de woensdagavond en de vrijdagmiddag. Dat we steeds op zoek blijven naar bronnen van leven, dat we de wijn van het koninkrijk samen delen, en zo steeds weer weten, waartoe we zijn geroepen. Namelijk om naaste te zijn, en medemens te blijven, vruchten te dragen en licht te brengen.
Gedragen door de liefde van God, aangestoken met zijn Geest en bij geschenen door hem die het licht der wereld is, kunnen we verder, als geliefde mensen. Al onze dagen, tot zijn dag komt.
Amen

Tweede kerstdag is een overwegend Europees verschijnsel, waarschijnlijk ontstaan in de Middeleeuwen, met als doel om het dienstpersoneel die op 25december hadden gewerkt bij welgestelde families ook de gelegenheid te geven om in eigen familie kring dit feest te vieren. Dat zal vandaag de dag niet meer de belangrijkste functie zijn, katholieken herdenken Stefanus, in Engelstalige landen viert met de cadeautjes kerstkist op ‘boxingday’, dus het biedt onsdaardoor de mogelijkheid om eens na te denken over de betekenis van kerstmis voor ons vandaag. Een geliefde bron voor dergelijke overpeinzingen zijn voor mij de columns van Jan de Jongh, dus laat ook U inspireren! Leen van den Herik
KERST: EINDELOOS VERLANGEN
Kerstfeest. Al die beelden van Het Verlan­gen: vrede, licht, warmte, goedheid, nieuw begin… Er zal wel weer ergens een bestand zijn en in elk geval een lieve actie voor slachtoffers. De ‘tweede Kerstdag’ is Stefa­nusdag. Dan gedenken de kerken de eerste martelaar. Op 28 december gedenken wij de bloedige moord op al die onnoze­le kinderen vanaf Bethlehem tot op vandaag. Is ons verlangen een wens­droom in de wolken? Dat kán.
Wellicht zijn precies de vierin­gen in dit jaargetij de plek waar we deze twijfel aan de zin van Het Verlangen taal en beeld mogen geven. Een plek waar we de angst voor de leegte en het ver­driet om deze late tijd niet over­schreeu­wen.
Achterkleinkinderen
Oosterhuis maakte een kerstlied vanuit de optiek van de kinde­ren van de herders (LG II,44, PP 362). Het is een lied, waarbij ik het nauwelijks droog houd. Niet alleen vanwege de muziek van Oomen en de kla­gende klarinet, maar vooral om dit pijlloze onvervulde verlan­gen. Het Verlangen waarvan wij, achterachterklein­kinderen van de herders, het de moeite waard vinden ieder kerst­feest op­nieuw te verha­len. Een fragment:
Wij waren kinderen toen het gebeurde,
‘Laat ons gaan zien het woord dat daar geschied is’,
riepen met vreemde stemmen onze vaders.
wij moesten mee, de diepe nacht, de kou in.
Geen vleugelslag. Na uren gaan een grot,
een huilend kind. Geroep: hij is het. Hij?
Hun leven lang bleef hij een sterk verhaal:
(…)
En het gekroonde beest. De kindermoord.
Tot op vandaag het bloed ten hemel schreiend.
En het gerucht dat hij zou zijn ontkomen.
Dat hij zal komen, haastig, en wat dan?
Rusteloos zwervend, ongelukkig dromend
van wilde dieren die niet meer verscheuren
zijn zij gestorven zoals mensen sterven,
zonder te zien. Zij hadden zo gehoopt.
Een mistroostig lied?
Hoor je niet dat het lied vol is van Het Ver­langen? Het is als met de Ark in het Allerheiligste. Tussen de beide cherubim op het deksel is de leegte van de Aanwe­zig­heid. Zo liggen tussen de boden in het lege graf de doeken als een spoor van heil.
Niets houdt ons zozeer bezig als De Afwezigheid in deze bar­nende wereld. Is de Eeuwige aanwezig in het zwijgen en de stilte? De Aanwezigheid is ons verlangen?!
Uit de liturgie van de Kerstnacht:
‘Want terwijl een diepe stilte alles omgaf
en de nacht in zijn loop halverwege was gekomen,
kwam uw alvermogend woord…’ (Sapientia 18)
Jan de Jongh, emeritus studentenpastor van de Universiteit Twente in Redactie Service, kopij voor kerk- en parochiebladen
Als ik aan Marit denk komt het woord ‘veelbelovend’ naar boven. Ze was een jonge vrouw geworden. En ze had veel te bieden, ze had talenten, ze kwam te voorschijn als de mensen om haar heen haar de tijd en de ruimte gunden om zichzelf te laten zien en als ze haar aanmoedigden. Ze kon zich ontplooien omdat die anderen haar de bevestiging gaven die ze nodig had. Zij zagen iets in haar, ze geloofden in haar.

Ze was geen sportheld in de dop, geen schrijfster en zeker geen spreekster. Maar haar ogen begonnen te glinsteren en haar wangen gingen gloeien als ze bezig was met tekenen of schilderen. Haar visie op het leven was te zien in de veelkleurige mensenhoofden, die met bedachtzame streken op het doek verschenen. Lachende hoofden, zonder lijf. Soms hadden ze wel handen en voeten, maar die bungelden er maar zo´n beetje bij. Meestal kon je niet goed zien of ze een hoofd met haren had gemaakt of een zon met stralen. Haar mensen waren zonnen, die liefde, licht en kleur uitstraalden.

Eén van de kunstwerken van Marit heeft diepe indruk op me gemaakt. Ze maakte het vlak voor Kerst. In die tijd kwam ze vaak even binnen op mijn kamer. Ze had het moeilijk. Ze was zwanger, ze had Jezus in haar buik. Ze tilde haar vest even op, zodat ik kon zien dat haar buik dikker geworden was. Ze zag op tegen de komende bevalling. Hoe zou dat gaan? Zou ze moeten schreeuwen?

Ze was kwetsbaar in de ernst waarmee ze deze ervaring doorleefde. Ik voelde me klein tegenover de puurheid van haar ‘in verwachting zijn’. Zo lijfelijk had ik mezelf nog nooit voorbereid op kerst. En tegelijkertijd leed ze onder haar eigen beleving. Hoe kon ik haar ondersteunen in wat zij aan het dragen was?

‘We zijn allemaal zwanger’, zei ik, om de druk wat van haar af te nemen. ‘We wachten allemaal op de geboorte van Jezus. Je hoeft het niet alleen te doen. En God helpt ons daarbij.’

Ik zag dat mijn woorden ver weg klonken, als schrale troost, die ergens aan de oppervlakte bleef steken. Haar gezichtje klaarde niet op. De frons in haar voorhoofd bleef staan als een groot vraagteken, dat ik niet weg kon nemen. Ze zou zelf een manier moeten vinden om de onzekerheid van het wachten uit te houden. Zij was degene die met heel haar lijf aan het kerstkind vroeg: ‘Hoe zal ik U ontvangen?’ Haar geestelijk verzorger kon alleen maar aan de zijlijn staan en de adventsperiode met haar uithouden.

Elske Cazemier
in: ‘De ziel ontdekken’ in contact met mensen met een verstandelijke beperking.

Deze column van het ‘Bijbels QRS’ in Kerk in Den Haag is geschreven door theoloog/predikant Martin Koster, [email protected]

Wanneer een kind gedoopt wordt, of een volwassene, dan wordt direct aansluitend aan de doop een kaars ontvangen: ‘Licht van Christus.’ Ik beleef dit daarbij: de Naam waarin je gedoopt bent, vertegenwoordigt een schat aan verhalen, een woordenschat, die licht wil verspreiden in je leven. Woorden kunnen verlichten.
In de komende Kerstnachtdienst – feest van de geboorte van Christus – wordt ingezoomd op de doeken waarin het kind gewikkeld is. In het bijbelse kerstverhaal zijn het Maria en Jozef, ouderlijke figuren, die het kind van doeken voorzien. Letterlijk: het kind wordt in doeken gewikkeld. Maar ook figuurlijk. De doeken kun je verstaan als verhalen. Dit opmerkelijke textiel kun je zien als verwijzingen naar teksten voor onderweg. Op veel schilderijen, zoals één van Rogier van der Weyden, zien we een naakt kindje omringd door ‘doeken’: de kleding van Maria en Jozef en van de engelen. Daarin wordt op bijzondere manier verbeeld dat mensen en engelen het kind van ‘doeken’ zullen voorzien: van verhalen die de volwassenen ook zelf al meedragen als bescherming.
Een glimwormpje heeft iets wat mensen niet hebben: uit zichzelf licht geven. Ons menselijk lichaam kan geluid waarnemen en geluid maken. Het kan licht waarnemen, maar licht maken kan het niet, letterlijk bezien. Ook figuurlijk gezien kan een mensenkind dat vanaf het begin aan zichzelf overgelaten zou worden, geen licht geven. Maar ‘gewikkeld in doeken’, met verhalen en gedichten, met al die sprekende stemmen in het donker, gaat er licht branden.
Er is een gedicht over een glimwormpje in een tuin dat heftig tot God bidt om te mogen gloeien – z’n lampje ontbreekt. Ik ben dit gedicht gaan lezen als een gebed van de mens die innig bidt om licht en al biddend licht ontsteekt. Hieronder een eigen vertaling van het gedicht ‘A very minor poet speaks’ van Isabel Valle (uit: The Best Loved Poems of the American People, blz. 139).
Een heel klein dichtertje aan ’t woord
Een glimworm in een tuintje riep:
‘Ik kan niet gloeien! God, Gij schiep
mij met een hunkering naar gloei, drukte met zachte hand
Uw stempel op mijn soort: elk heeft een lamp,
die, als Gij ademt door het nachtgezicht,
gaat uit en aan; ik heb geen licht!
Tenzij Uw vuur in ons komt keren
hoe zou toch ooit kunnen traceren
Uw kruipend creatuurtje zijn cirkel in het zand
gegoten zonder stralen uit uw stralingsvolle hand –
een ding niet waard zijn Makers merk?
Wie bouwt een donker tempelwerk –
vergeet de nis waar lampjes staan?
God! Maak mijn lichtje! Steek mij aan!’

Een lezing op het congres ‘Herstelverhalen: jouw verhaal doet ertoe’, met toestemming van de auteur door mij bewerkt tot dit artikel over de kernbetekenis van Epifanie.
Leen van den Herik

Ik vertel dus ik ben
Als ik aan u vraag wie u bent, dan noemt u waarschijnlijk uw naam. Maar uiteraard bent u niet uw naam. Als ik aan u vraag wie u bent, dan zegt u misschien ik ben de vrouw van…. Of u noemt uw beroep, maar uiteraard bent u niet uw beroep.
Identiteit is het antwoord op de vraag wie ben ik?. Die vraag beantwoorden we met verhalen over ons leven.
De beelden over mijzelf, zijn oude beelden uit mijn verleden. De beelden verhalen over de sociale rollen die ik speel en ben en speel. De beelden vallen nooit samen met het heden. Heel lang heb ik geprobeerd om een te worden, om heel te zijn, een mens uit een stuk. Gek werd ik van mijzelf met al die wisselende gedachten, gek werd ik van al die stemmingswisselingen. Maar nu weet ik dat ik een gewonde heelmeester ben, heel in gebrokenheid. Ik vertel u een deel van mijn verhaal.
Het lijkt het verhaal van een succesvolle vrouw. Maar het is meer van een koppige klimgeit die niet weet waar ze naar toe gaat.
Geboren in Nederland 1954 in de sfeer van de Koude Oorlog. Een land in opbouw, sober. Mijn ouders kregen in zes jaar, vijf kinderen. Ik ben de oudste en het enige meisje. We leefden in een kleine wereld van een paar straten. Jongens zijn veel liever, zei mijn moeder en God ziet alles. Buiten spelen was eng, zwemmen was nog veel enger en gymnastiek vreselijk. Het avondeten was een hoogtepunt, mijn moeder kookte geweldig en alles vond ik even lekker. Sinterklaas was mijn grote voorbeeld. Als ik toch eens als Sinterklaas zou kunnen zijn. Iedereen verrassen met datgene wat hij/zij het liefste wilden hebben. Of een engel zijn, leek me ook geweldig.

Maar het gelukkigst was ik als ik kon lezen. Alle meisjes- en alle jongensboeken heb ik uit de bibliotheek gehaald, iedere week opnieuw. Ik leefde in mijn hoofd en was bang voor alles. Op de lagere school ging het goed, had vriendinnetjes en ik haalde moeiteloos achten. Ergens in de vierde klas lagere school kregen we breuken. En voor het eerst begreep ik iets niet. Mijn cijfer voor rekenen ging achteruit en ook mijn cijfer voor taal gek genoeg. In het rapport van mijn zesde klas staat met vraagtekens ULO????

Ik ging naar de net opgerichte MAVO en verliet deze school toen ik vijftien was in de derde klas met zeven onvoldoendes. Steeds meer wonend in mijn hoofd en steeds meer moeite met mezelf en met de wereld. Op mijn vijftiende werkte ik van maandag tot en met vrijdag als typiste op een verzekeringskantoor en op zaterdag als schoenverkoopster. Ik werd op beide werkplekken gewaardeerd. Mijn broertje haalde wel zijn MAVO diploma en ik dacht ‘Wat hij kan, kan ik ook!’.

Ik meldde me aan voor de Avond-mavo, maar de directeur wilde me niet hebben. Een meisje dat al twee jaren van school was, met zeven onvoldoendes, nee dat kostte hem zijn eindexamen-rendement. Ik praatte daar als Brugman en hij heeft me uiteindelijk aangenomen in de eindexamenklas als risicoleerling. Ik dacht alleen maar. ‘Een jaar hard studeren zie ik mezelf nog wel doen.’ Maar wat zou ik graag dat gesprek terugzien en horen. WAT zei ik tegen hem, waardoor ik hem overtuigde? Ik heb geen idee.

Goed, ik was zeventien, werkte zes dagen in de week en ging drie avonden in de week naar school en ondertussen was ik ook nog zwanger geworden. Het eerste schoolonderzoek in oktober was Nederlands; tekstverklaring. De docent kwam de klas binnen en vroeg: ‘Woertman wat denk je dat je hebt?’ Mijn hart bonkte in mijn keel. Ik dacht dat ik het wel aardig had gemaakt en zei: een zes meneer. Je hebt een tien. Nog nooit in mijn leven had ik een tien gehaald. Ik was ongelofelijk blij en leerde op die avondschool dat ik niet zo in mijn hoofd moest wonen, maar met mijn lichaam en aandacht in de klas moest blijven. Dat was studeren! Verrek, je hoeft er alleen bij te blijven, open te luisteren, en je huiswerk te maken.

U begrijpt het al. Ik haalde in een jaar mijn MAVO-diploma. Het diploma waar ik het meest trots op ben, omdat het mijn leven heeft veranderd. Ik was zo in mijn sas met dat Mavo-diploma, dat ik liep te flirten met de gedachte om naar de Avond-havo te gaan. Ondertussen was ik bevallen van mijn oudste zoon.

Ik ging werken in de Openbare Bibliotheek en kreeg zodanig plezier in het studeren dat ik overwoog om een HBO-opleiding te gaan doen. Drieëntwintig ben ik dan met 2 kinderen Dat overwegen moet u zich voorstellen als: kinderlijk gegniffel om de gedachte, angst of ik het zou kunnen, een enorme vreugde in mijn lichaam alleen al de gedachte dat ik misschien hoger onderwijs zou gaan volgen.

De praktische bezwaren kon ik zelf wel bedenken. Hoe moest het met opvang voor de kinderen? Dat waren er ondertussen twee. Hoe moest het met geld? Maar er bleek een parttime opleiding sociaal cultureel werk te bestaan aan de Horst in Driebergen. Werken in een buurthuis als jongerenwerkster met de moeilijkste jongeren, want die kon ik wel aan. Gezinshuisouder worden samen met mijn man. Dat betekende concreet in een huis wonen met 2 eigen en 4 pleegkinderen. Ik was 23 jaar.

Op mijn 26ste haalde ik mijn HBO diploma Sociaal Cultureel Werk en toen werd het even heel erg stil van binnen. Zou ik? Nee, nu moet je ophouden. Nu tart je het lot. Zou ik naar de universiteit kunnen? Mijn hart bonkte in mijn keel alleen al door de vraag te stellen. Nee, nu ga ik tegen een muur aanlopen, tegen mijn eigen plafond, de universiteit dat is te hoog gegrepen. Maar dat dacht ik ook toen ik nog geen diploma had, toen leek de MAVO ook onmogelijk. En met het MAVO- diploma op zak, kwam de HAVO langs als mogelijkheid, als alleen maar ietsje meer en moeilijker. Als je het niet probeert dan weet je niet wat je grens is.

Uiteindelijk koos ik voor psychologie. Ik meldde me aan en werd toegelaten. Ik kwam in een totaal onbekende wereld met ongeschreven regels die de andere studenten wel leken te beheersen. Daarmee stond ik duidelijk op achterstand, maar inhoudelijk vond ik het geweldig. Ik nam af en toe een kind mee naar de colleges. Leerde onder het eten met de kinderen aanwijzend op hun hoofd hoe het brein in elkaar zit. ‘Wijs me je neocortex eens aan’, vroeg ik. Tegen de tijd dat ik tentamens moest doen, kenden mijn kinderen ook de structuur van het brein.

Het was lastig, het was druk, het was chaos in die periode van mijn leven. Maar ik werd steeds meer mij. Van mijn kinderen leerde ik onvoorwaardelijk liefhebben en ik kreeg plezier in mijzelf en de wereld. Op mijn 33ste mocht ik mijn doctoraalbul Psychologie in ontvangst nemen en kreeg direct een baan als docent aangeboden aan de Universiteit Utrecht. Ik had nog nooit lesgegeven, maar dit was mijn vorm. Op mijn 40ste promoveerde ik op het onderwerp Lichaamsbeelden en op mijn 55ste werd ik benoemd als Opleidingsdirecteur psychologie en Hoogleraar Kwaliteit en Vormgeving van het psychologieonderwijs.

Ik heb deze carrière niet bedacht, want mijn leefwereld begon met slechts enkele straten en geen uitzicht op de wereld. Het is een verhaal van neus dicht en springen, hoe bang ik ook was. Het is een verhaal van gewoon een boek pakken en nog een boek en nog een om op die manier in een nieuwe wereld terecht te komen waar ik thuis bleek te horen. Ik heb het geluk gehad dat andere mensen al iets in mij zagen, wat ik nog niet in mijzelf zag. Identiteit ontstaat in samenspel met andere mensen. Wij zijn geen autonome wezens maar sociale wezens. Ons ik is een relationeel ik ten opzichte van iemand anders.

Het woord epifanie komt bij me op. Epifanie komt uit het Grieks en betekent: te voorschijn komen. In het werk van de Joodse filosoof Emanuel Levinas is het een belangrijke term. Bij hem draait het om het gelaat van de ander. Epifanie draait om iets wat er al is, maar waarvan we ineens de waarde zien (Paul van Tongeren). Zoals je getroffen kunt zijn door het gelaat van de ander, zo kan je ook getroffen worden door wat de ander in jou ziet. Het besef dat je zelf ook een oneindig gelaat hebt, waarin een ander, een geliefde bijvoorbeeld, iets ziet wat je nauwelijks kunt bevatten.

prof. dr. Liesbeth Woertman

Hier komt de tekst